De Rivierkreeft in vroeger jaren


Inleiding door de webbeheerder:
Tijdens de ruilverkaveling in de 70-jaren is de Strijper Aa over zijn geheel verbreed en gekanaliseerd.
Een ongeveer 150m lang stukje “oude Aa”, parallel lopend met de Strijper Aa, is toen in stand gehouden ter bescherming van de rivierkreeft, die daar toen nog gesignaleerd werd. Inmiddels is deze kreeft hier niet meer aanwezig; hij komt nog maar op een plaats in Nederland.
De water aan- en afvoer van dit, oorspronkelijke, riviertje is rechtstreeks afhankelijk is van de gekanaliseerde Aa.
Hieronder een beschrijving van deze rivierkreeft.  Een klein stukje over de rivierkreeft in de Strijper Aa door Willem Iven (1974) en een uitgebreide omschrijving van de kreeft uit het “Leerboek der Dierkunde uit 1884”, aangepast en bewerkt door de webbeheerder


Bron; Leerboek der Dierkunde uit 1884   De Rivierkreeft, Potamobius astacus

GELEEDPOTIGE DIEREN, ARTHROPODA
Tot dit type rekent men vier klassen: de kreeftachtige, de insecten, de duizendpoten en de spinnen.

De Rivierkreeft,

Fig. 310. Rivierkreeft van de rugzijde.

Verspreiding en levenswijze.

De rivierkreeft (fig. 310) wordt soms 14cm. maar is in de  regel 7-10cm. lang; hij en zijn naaste verwanten zijn over geheel West- en Midden­ Europa verspreid.
In ons land is hij na 1876 vrijwel uitgeroeid door de kreeftenpest, die in Duitsland tegenwoordig afneemt. (1876 red.)

Hij bewoont liefst ondiep, rustig stromend, desnoods ook stilstaand water met veel schuilplaatsen en ligt daarvoor op de loer naar buit. Bij gevaar brengen een paar krachtige slagen met de staart hem achterwaarts in zijn hol, dat hij met zijn scharen goed weet te verdedigen. Op het land houdt hij het, in vochtige omgeving, lang uit. Lopen doet hij niet achteruit, naar het spreekwoord, maar voorwaarts. Hij voedt zich met al wat eetbaar en vangbaar is en eet veel; zelfs planten en – voor het kalkgehalte – slakkenhuisjes.

Fig. 310. Rivierkreeft van de rugzijde.

Ietwat rottende vis wordt gebruikt als lokaas om hem te vangen. In de winter, wanneer de eieren gelegd worden, is de vangst verboden in Duitsland. Vervolgd wordt de kreeft door alle roofvissen en verder vindt men, vooral ook op zijn kieuwen, een geelwit bloedzuigertje (Branchiobdella varians). ’s Nachts maakt hij tochtjes, soms zelfs over land. In het aquarium kan men hem bij goede verzorging lang houden (helder, zeer ondiep, zuurstofrijk water, weinig planten, schuilhoekjes, af en toe een kleine regenworm, nooit voedselresten laten liggen).
Overwintering in zelf gegraven holen.


 Uiterlijk.

1. Huidskelet.
Geleding. Het gehele lichaam en ook de poten van de kreeft zijn bedekt met een hard pantser; dit bestaat uit chitine (d. i. pantserstof), verhard door kalkzouten (fosforzure en vooral koolzure kalk). Dit uitwendig pantser dient, als ons inwendig skelet, voor sterkte en bescherming, en het levert ook de hefbomen voor de spieren (fig. 311). Het is daartoe voorzien van geledingen: scharnieren, waaromheen de harde delen kunnen draaien, terwijl de rest van de huid ter plaatse dun en buigzaam is door het ontbreken van kalk. Voor de aanhechting van de spieren vindt men evenals aan onze beenderen kammen; deze steken echter hier naar binnen!

Vervelling.
Het chitinepantser groeit, als het eenmaal hard is, niet mee met het dier en wordt dan ook van tijd tot tijd afgeworpen (vervelling) en wel in zijn geheel. De nieuwe huidbedekking, die al onder de oude aanwezig was, is de eerste dagen nog week en rekbaar; dan “groeit” de kreeft soms wel 1/5 van zijn vroegere lengte. In deze dagen is hij volledig weerloos en houdt zich dan ook angstig schuil. Merkwaardig is de wijze, waarop de kreeft zijn kalk hierbij spaart: vóór de vervelling wordt uit het oude pantser de kalk weggehaald en in de maagwand, onder de bekleding afgezet als “kreeftsogen”. Deze maagbekleding vervelt ook, zodat dan de kreeftsogen in de maagholte komen; hier worden ze opgelost en weer naar het nieuwe pantser gevoerd. Jonge kreeften vervellen enige keren, volwassenen slechts éénmaal per jaar.

2. Lichaamsdelen.
De kreeft bestaat uit een groot voorstuk, dat met één doorlopend schild overdekt is: het kopborststuk ; hieraan zitten ogen, sprieten, monddelen en looppoten. Dwars over de rug hiervan loopt een groeve (geen geleding), de nekgroeve. De rest heet bij de visser en in de keuken staart, in de dierkunde achterlijf; het bestaat uit zeven leden (segmenten); in het laatste ligt de aarsopening (fig. 312).

I. Ledematen. Oppervlakkig ziet men aan de kreeft de volgende aanhangselen. Aan ’t kop borststuk, rugzijde: 1. één paar gesteelde ogen; vóóraan (fig. 310): 2. één paar kleine sprieten (fig. 312, b), elk bestaande uit een voetstuk waarop twee draadvormige aanhangselen; in het voetstuk ligt het evenwichtsorgaan (zie bI. 240) ;3. één paar grote sprieten, met één zweep ;onder aan het voetstuk ligt de uit monding aan de “nier” (zie fig. 318); het draagt, behalve de spriet a een schub a. Aan de buikzijde: 5 paar looppoten, waarvan het eerste paar grote, het tweede en derde paar wordt gevormd, doordat het voorlaatste lid (fig. 311, prp) van de  poot een groot uitsteeksel vormt, dat als “vaste bek” van de schaar naast het eindlid dp (“Iosse bek”) ligt. In fig. 311 is een geopende schaar afgebeeld; men ziet de geweldige sluitspier (m), die ook nog aan een langere hefboom werkt (x = draaipunt) dan de zwakke openingsspier m’!

Fig. 312. Rivierkreeft, van de buikzijde gezien.

De andere looppoten eindigen in klauwen. Vóór de looppoten ligt een paar zgn. kaakpoten (fig. 312, c), die met hun getande  binnenrand de prooi bij ’t kauwen vasthouden, ook zelf wel mee kauwen; zij hebben ieder een taster. Onder deze kaakpoten liggen nog niet minder dan 5 paar kleine aanhangselen links en rechts van de mondopening. Het voorste (diepst gelegen) paar is geweldig hard en gespierd (fig. 313, 1): voor- of bovenkaken; de volgende (hogere) zijn alle véél teerder. Men onderscheidt ze als 2 paar achter- of onderkaken en 2 paar kaakpoten, waarvan er dus totaal 3 paar zijn. Het enige middel om van al deze delen een voorstelling te krijgen is, ze zelf bij een kreeft op te zoeken. Aan de kaakpoten en de looppoten zitten de kieuwen (fig. 314). Het achterlijf heeft bij het mannetje (fig. 312) 5 paar gevorkte achterlijfpootjes; de voorste 2 paren zijn tussen de looppoten gestoken en ontbreken bij het wijfje of zijn deel en van de Rivierkreeft.

Fig.313. Linkermondeel

Ademhaling.
De ademhaling geschiedt door kleine scharen dragen. De schaar kieuwen; deze zijn bevestigd aan de pootbases en aan de zijde daarboven (fig. 314 en 315). Een gepantserde huidplooi: het “kieuwdeksel”, hangt er van de rug af overheen. De waterverversing geschiedt, doordat de kieuwen met de poten wat bewegen en doordat een hoosplaat (h, fig. 313,3) aan de achterste kaken een waterstroom veroor­zaakt van achter naar voren; men kan deze waterstroom aantonen, als men met een pipet wat gewreven inkt (geen vloeibaar gekochte!!) achter het kieuwdeksel brengt en de kreeft dan in water zet: de verf komt in wolken aan ’t kopeind te voorschijn. Buiten het water komen daar luchtbellen uit, ook als het dier daarna weer in water komt.

Fig. 314. Rivierkreeft, kieuwdeksel verwijderd.

Bloedsomloop.
Het bloed is kleurloos en aderen ontbreken: het bloed wordt door de slagaders vrijgelaten in de lichaamsholten. Deze vormt echter regelmatige bloedbanen tussen de organen; de loop van het bloed ziet men schematisch voorgesteld in fig. 315. De banen voeren het bloed, nadat het van het gehele lichaam is gekomen eerst door de kieuwen en verzamelen het dan ineen bloed­ruimte rondom het hart (pericardiale sinus). Uit deze holte wordt het door drie paar spleten met kleppen in het hart gezogen. Welke soort bloed bevat dus ’t hart? Het kreeftenhart heeft slechts één kamer, geen boezem. Waardoor wordt hier de rol van de  “boezem” overgenomen? Een bloedsomloop, waarin niet alle bloedbanen eigen wanden hebben heet open bloedsomloop (lacunaire bloedsomloop).

Fig. 312. Rivierkreeft, doorsnede van het borststuk.

Fig. 316. Rivierkreeft, bloedsomloop.

Fig. 317. Rivierkreeft, man rugzijde geopend.

Spijsvertering.
Het darmkanaal is vrijwel recht; de mond ligt aan de buikzijde. Van de mond voert een korte slokdarm naar de zeer grote maag;  deze is voorzien van een sterk kauwtoestel; het maagsap lost eiwit (vlees) in korte tijd op.

Uitscheiding.
Als nieren fungeren een paar groene klieren, voor in de  kop gelegen; zij hebben een urineblaasje,  dat met een buis uitmondt aan de voet van de grote sprieten (fig. 318).

Fig. 318. Rivierkreeft, vrouw rugzijde geopend.

Zenuwstelsel.
Het centrale zenuwstelsel (fig. 319) bestaat hier uit een reeks zenuwknopen, die duidelijk dubbel zijn, verbonden door (ook dubbele) zenuwstrengen.
Boven de slokdarm ligt de zgn. hersenknoop of bovenslokdarmknoop; deze is met de onderslokdarmknoop verbonden
door een paar zenuwstrengen: slokdarmzenuwring. De verdere streng ligt aan de buikzijde, vlak onder de huid: buikmerg.
In de  “staart” heeft elk segment één knoop, in ’t kopborststuk zijn er zes.

Fig. 319. Rivierkreeft, zenuwstreng buik.

Zintuigen.

Ogen,
De ogen van de kreeft staan op bewegelijke stelen en bestaan uit een groot aantal door zwarte wanden gescheiden kleine oogjes: samengestelde ogen of facetogen, fig. 320. De werking deze ogen is niet zeker verklaard ;gewoonlijk neemt men, met Johannis MülIer, aan, dat ieder punt van de buitenwereld slechts licht zendt tot op de  bodem van dat deel-oogje (vocel), waar het juist voor ligt en zo zou door alle vocellen samen een soort mozaïekbeeld gevormd worden.

Fig. 320. Rivierkreeft, vier ogen van facetoog.

Oren
In het brede voetlid van elke kleine spriet ligt een zakje, waarin een aantal bewegelijke haren, die met zenuwdraden in verband staan. Zij steken uit in de holte en deze bevat een gelei­achtige massa, waarin zand­korreltjes liggen. Een derge­lijke inrichting bevindt zich in onze oren, zoals we later zullen zien; men houdt haar voor een evenwichts­zintuig. Bij een garnalensoort (Palaemon) kon de evenwichtsfunctie met zekerheid worden aangetoond. Het “hoorzakje” vervelt nl. mee en bij de vervelling worden de zandkorrels verwijderd. Men hield nu de garnalen in een aquarium zonder zand, maar met ijzerpoeder op de  bodem; inderdaad werden later ijzerdeeltjes in de oorzakjes aangetroffen. De garnalen keerden zich nu om, als men een magneet boven hen hield! Of de kreeft ook kan horen, is lastig uit te maken!

Andere zintuigen.
Ongetwijfeld kan de kreeft voelen met allerlei lichaamsdelen; vermoedelijk in hoofdzaak met de haren. Ook zullen ze het lokaas, waarmee men ze vangt wel kunnen ruiken.  Smaakorganen vond men niet; wat niet wil zeggen, dat kreeften niet kunnen proeven.


Willem Iven schreef in 1974 over de Rivierkreeft:

Enkele opmerkelijke soorten van zuivere beekmilieus treffen we in de Strijper Aa aan. Hiervan is de rivierkreeft of edelkreeft, Astacus fluviatilis, de belangrijkste. Het is een niet zo grote kreeft, die alleen leeft in vrij zuiver zuurstofrijk en niet te modderig zoet water. De kreeft moet zich kunnen verschuilen in beekkronkels en afgesneden bochten onder boomwortels en waterplanten, maar ze graaft ook ondiepe holen in niet te harde oevers. Rivierkreeften kwamen vroeger waarschijnlijk in alle niet al te snel stromende beken voor. Jan Hein en Harm Nijhuis en ook Pim van Kempen vingen destijds voor hun aquarium nog rivierkreeften in de Groote Aa nabij de voorde in de Oosterikkerdijk en in zijslootjes en drenkpoelen in de Hulsbroeken. Kreeften waren daar in het begin van de zestiger jaren nog heel gewoon. Bij het visjes vangen trapten de kinderen wel eens op een kreeft, die dan met de scharen aan de tenen van gillende visjesvangers bleef hangen. Door watervervuiling, door de kreeften­pest (een per ongeluk uit Californië geïmporteerde schimmelziekte) en door vernieling van zijn milieu is de soort bijna overal verdwenen en is thans hyperzeldzaam. De soort komt in Nederland alleen nog voor in de benedenloop van de Strijper Aa en verder in Limburg op enkele plaatsen in de Maas, in Gelderland op één plaats in de Linge en in de Rozendaalse Beek bij Velp. In België komt de rivierkreeft oa nog voor in de Molenbeek bij Molenbeersel; overige vindplaatsen liggen in Midden­ en Oost-Europa. Meester Vugts liet de kinderen in 1972 nog drie in de Strijper Aa gevangen exemplaren in de beek terugzetten. Het laatste kreeftenbiotoop van Brabant, tevens het laatste in een laaglandbeek, wordt nu bedreigd door ruilverkavelingswerken.

De rivierkreeft is een nachtdier, dat zich voedt met slakken, wormen, allerlei insekten en andere geleedpotigen, vissen en kikkers, en ten dele met plantaardig voedsel. ’s Winters eet deze kreeft niet. Vóór het betrekken van de winterkwartieren paren de kreeften, in oktober-november. De 60-200 eieren worden midden in de winter afgezet tegen het onderlichaam van het wijfje, maar ze komen pas in mei uit. In het vijfde jaar zijn de kreeften volwassen en ze zijn dan ca 13 cm lang; 15 cm is de normale lengte, maar er zijn wel exemplaren met een lengte van 20 cm gevangen. De leeftijd zou nooit boven de twintig jaar liggen. De kreeften vervellen tijdens de groei bijna twintig keer. Een pas vervelde kreeft (‘boterkreeft’) heeft nog ruim eer’ week een zachte geelwitte huid en ze is dan enorm hulpeloos en kwetsbaar; goede schuilplaatsen zijn dus van levensbelang. De soort werd vroeger gevangen voor de consumptie. Jonge kreeftjes worden door bijna alle vissoorten gegeten, oudere alleen door aal, kwabaal, baars, bruine rat, otter, bunzing, visetende vogels en zelfs door bisamratten.

 

Geef een reactie